maandag, 21 juni 2021
spot_img
HomeNatuurIn de Twickelse bossen is meer te zien dan alleen maar bomen

In de Twickelse bossen is meer te zien dan alleen maar bomen

Terug in de tijd met natuurkenner en natuurfotograaf Han Brinkcate

Het ‘Hofweekblad’ heette toen ‘Deldens Weekblad’, Aflevering 18, 6 maart 1991

Niet alleen de bossen zijn in het voorjaar de moeite waard, ook in de buurt van weilanden valt nu genoeg te zien en te horen. In het voorjaar treffen wij ook in deze weilanden veel soorten zangvogels aan, maar dat zijn hele andere soorten dan die wij in het bos kunnen zien. Hun aantal en soortental is in vergelijking met bos of moeras niet zo groot, maar in dit open veld zijn deze zangers, net als op de hei, van ver af te zien en te horen. ‘s Winters is hun aantal echter zeer klein, de meesten trekken naar het zuiden. Van de zangvogels die broeden in ons cultuurlandschap, overwinteren hier vooral de typische zaadeters, zoals grauwegors en de geelgors. Deze zoeken voornamelijk onkruidzaden. De geelgors voedt zijn jongen overigens met insecten en bewoont heel uiteenlopende terreinen. Landbouwgronden en weilanden met afwisseling van bomen en struiken zijn hun ideale leefgebied. De geelgors is de laatste jaren in aantal afgenomen doordat zijn leefgebied steeds kleiner wordt. De grauwegors is een uitgesproken vogel van cultuurland. Vanaf een hoger gelegen punt laat hij zijn karakteristieke zang horen. Veldleeuweriken zijn er ook het hele jaar door, maar dit heeft te maken met trekkers uit het noorden, die hier de winter doorbrengen. Zo ongeveer eind maart, begin april komen onze broedvogels weer terug. En dat laten ze dan ook duidelijk horen. Overal klinkt hun gejubel dat ze voordragen tijdens langdurige zangvluchten boven de velden. Een veel op de veldleeuwerik lijkende vogel is de graspieper, alleen zijn zang is niet zo luidruchtig. Wel maken beide soorten hun nest op de grond, tussen gras of landbouwgewassen. Een ander typisch vogeltje, dat wij in ons cultuurlandschap aantreffen, is de kwikstaart (duidelijk herkenbaar aan de lange, steeds op en neer kwikkende staart). Op een enkeling na trekken ook deze vogels voor de winter weg. In het voorjaar is dit drukke zwart-witte vogeltje op bouwland te zien. In sommige streken heeft dit vogeltje de bijnaam als landmetertje of akkermanneke. De gele kwikstaart leeft vooral langs beken en weilanden, waar ze ook hun nest maken. De beste kans om deze genoemde vogels te zien te krijgen, heeft u als u let op hoge punten in het landschap, bijvoorbeeld op weidepalen. Hier laten ze ook hun zang horen en kunnen ze de omgeving in de gaten houden. Een hele mooie vogel, die 30 jaar geleden zo goed als verdwenen was uit ons landschap heeft zich na deze jaren toch weer behoorlijk hersteld. Gelukkig treffen we de roodborsttapuit (zie foto) weer op heel veel plekken in ons cultuurlandschap aan. 

Voor meer natuur kunt u ook kijken op www.hanbrinkcatenatuurfotografie.nl, of op www.hofweekblad.nl onder de button natuur.

Vorig artikelVan tuin tot bord
Volgend artikelPolitienieuws week 22

Nieuwstip of nieuwe informatie?

Tip onze redactie via een WhatsApp-bericht: 06 11 43 55 22

Natuur

Laatste Nieuws